Hoofdcategorieën
Home » Overige » Zooi » Gone With The Wind
Zooi
Gone With The Wind
Het briefje.
De kleur bruin overheerste in het kleine kantoor. Het bureau was van roodbruin hout, de muren waren zover vergeeld en bevuild dat ze onderhand ook bruinig zagen, de versleten zetel was van bruin leer en de vele rommel die er lag was aardig verkleurd – niet per se naar bruin – in de zonnestralen die, als de zon scheen, door het grote raam vielen.
Bruin, zonverlicht, versleten en verkleurd. Dat waren bijna alle begrippen die het kantoortje van de kerkhofbeheerder beschreven. Hij had de baan ooit genomen, omdat hij geld nodig had. Hij kwam uit het buitenland en wilde hier een bestaan opbouwen. Maar hoe je het ook wendt of keert, daar is altijd geld voor nodig.
Inmiddels werkte de man al jaren en jaren en jaren als beheerder van dit kerkhof en hij had het geld dat hij toen nodig had gehad al lang en breed bij elkaar. Hij had deze baan alleen nooit opgegeven. Hij was er stilletjes aan van gaan houden. Hoe vreemd dat ook klonk.
Vandaag was de dag dat hij precies zeven jaar in Amerika was. En hij kon het niet helpen dat zijn gedachten afdwaalden naar iets dat sinds hij hier twee jaar werkte, nooit was veranderd. Een meisje, hij had zich zelf nog om haar bekommerd toen ze na de begrafenis huilend had besloten dat ze het kerkhof nooit meer zou verlaten. Haar moeder wist na tien pogingen niet meer hoe ze haar dochter mee naar huis kreeg, en daarom besloot hij te helpen. Het meisje had alleen nooit echt gedaan wat haar die dag gevraagd was. Niet blijven.
Elke maandag en vrijdag zag hij haar bij hetzelfde graf. Elke dag, sinds haar broer daar was begraven, vijf jaar geleden. En in die vijf jaar, was het meisje geen spat veranderd. Ja, ze was ouder geworden, maar dat waren enkel de cijfertjes. Voor de rest was ze blijven hangen in het verleden. Ze wilde maar niet geloven dat haar broer er al lang niet meer was. Ze kon niet verder gaan.
Hij vond het altijd zo’n triest aanzicht. En dus besloot hij haar nu eindelijk te helpen, haar een brief te schrijven. Zijn gebrekkige Engels zorgde er voor dat het tenslotte maar een korte boodschap werd. Maar duidelijk genoeg. Of dat hoopte hij dan tenminste. Hij nam een nogal vergeeld briefje, dat waarschijnlijk al eeuwen door zijn kantoortje slingerde. Wat gaf het ook, hij schreef haast nooit.
Uit een vergeten bakje schrijfgerei viste hij een pen en zette hem tegen het papier. Zo goed en kwaad als het ging, wist hij de juiste woorden te vinden voor deze korte boodschap.
You can no take back or return lost time
It’s history!
Toch maar geen uitroepteken, er moest nog iets bij. Doorkrassen dan maar.
so walk on.
De buitenlandse kerkhofbeheerder legde de pen neer en keek op zijn horloge. Het meisje zou zo wel komen. Het was maandag, twee uur. En meestal was zij er rond half drie. De man stond op uit de versleten zetel en opende de deur van zijn kantoortje. Toen hij buiten stond smeet hij die deur weer dicht en vergrendelde het oude slot.
Daarna begon hij over het hoofdpad van het kerkhof te lopen. Zijn kerkhof eigenlijk, want ergens was de man gehecht geraakt aan de stille rust die er heerste. Bijna aan het einde van het hoofdpad liep de man het zijpad aan de rechterkant op. Bij het derde graf stond hij stil. Dit was het, het graf van de broer. Hij hurkte neer en legde het briefje tussen twee potplantjes in.
Toen de beheerder weer opstond, zich omdraaide en terug naar zijn kantoortje wandelde, stond hij geen moment stil bij de wind die er die dag waaide.
En jawel, net voor hij de deur van zijn kantoortje weer achter zich dicht trok, gebeurde het.
Het meisje liep net het kerkhof op. Maar de wind fluisterde al dat ze het briefje nooit zou lezen. Een ruisende windvlaag waaide over de graven heen. Hij joeg het briefje als een boomblaadje weg, tot het ergens vergeten op de stoep naast het kerkhof lag.
Het meisje liep zoals ze altijd deed met gebogen hoofd over het hoofdpad en toen het betreffende zijpaadje in. Ze stopte bij het derde graf en hurkte neer. Daarna ging ze in kleermakerszit op de grond zitten. En dan keek ze naar het graf. Soms praatte ze, maar nu niet. Nu staarde ze naar haar broers naam, die op de grafsteen stond. Hij is nog maar net dood, snikte ze in haar hoofd.
De kerkhofbeheerder kon het meisje net zien vanuit het raam in zijn kantoortje. Ze zat daar weer. Zoals altijd. Er was niets anders aan haar. Ze was alweer datzelfde meisje. Maar waarom had ze zijn briefje niet vast? Waarom was er geen teken van verbazing bij haar te herkennen? De man vond het maar vreemd.
Tenslotte haalde hij zijn schouders op. Van zijn bureau pakte hij zijn mok koffie en slurpte er wat van. Hij kon zich geen zorgen maken om elke simpele ziel die hij zag. Hij kon niet dezelfde fout maken als dat arme meisje. Hij had nog een leven om te leven.
xEmma

Oeh, Juul, I like. ^^