Welkom op FanFic.nl

De Nederlandse website waar je fanfiction kunt lezen én schrijven.

Home » Overige » Zooi » Hartje

Zooi

14 juni 2011 - 21:26

868

2

40



Hartje

“O, maar Hartje, voortaan zal ik je beschermengel zijn!” Hartje lachte. “Dat kan toch niet, gekkie.” Ze tikte Portas op zijn neus. Portas keek Hartje enigszins beteuterd aan. “Waarom niet?” vroeg hij. “Omdat je anderen hebt om te beschermen. Bovendien heb ik er geen nodig – niemand hier.” antwoordde Hartje. “Hoezo niet?” vroeg Portas. Hartje zuchtte en sloeg haar amren over elkaar. Er verscheen een frons op haar onschuldige engelengezichtje. “Oh, Portas,” verzuchtte ze, “dat heb ik je toch al honderd keer uitgelegd? Mensen gaan dood en engelen niet. Hartje en Portas gaan niet dood.” Portas knikte langzaam. De tranen prikten in zijn ogen.
“Hartje en Portas gaan niet dood, Hartje en Portas gaan niet dood!” joelde Hartje. Ze huppelde in rondjes om Portas. Net zo lang tot hij haar bij haar schouder pakte. “Houd op! Houd op! Stop! Straks gaan ze nog dood!” schreeuwde hij. Hartje grijnsde. Portas keek. Hartjes tanden waren niet meer de stralende, witte tanden van daarnet. Nu waren het puntige, rottende tanden. Portas huilde, terwijl hij op de grond ging zitten. Hij trok zijn benen zo dicht mogelijk tegen zich aan. Zachtjes wiegde hij zichzelf heen en weer.

“Dus, hoe is hij?” vroeg Iris. Het maakte haar bang, elke keer dat ze haar zoon zo moest zien. Waar dan ook. Dit keer was het door een raam en zat hij in een grijs, leeg en koud ogend kamertje. Hoe dan ook, haar zoon die in het niets praatte, schreeuwde, huilde en vocht maakte haar bang. Bang voor de enorme afstand die het tussen haar en hem creëerde.
“Portas leeft in zijn eigen wereld, mevrouw. Er is niets wat we voor hem kunnen doen.” vertelde de dokter. Hij droeg een witte jas, zoals je van elke dokter zou verwachten. Iris sloot haar ogen. “En degene met wie hij op maandag praat?” fluisterde ze. “Het spijt me, mevrouw. Alles wat hij kan doen, is uw zoon wat geruster stellen.” De dokter liet haar achter bij het raam.

“Jij bent niet echt!” schreeuwde Portas naar Hartje. Hartje lachte, haar engelengezicht lachte mee. “Ja, en jij bent geen engel. Hoe wilde je dat aantonen? Hoe weet je zeker dat het zo is?” vroeg Hartje kalm. Portas schudde zijn hoofd. Hij haalde zijn trillende handen door zijn haren. “Hoe weet ik zeker dat... Hoe weet... Hoe zeker...” mompelde Portas. Hij ijsbeerde van zijn bed naar de wastafel en terug.
“De man op maandag vertelt me dat jij niet echt bent!” riep Portas. Het klonk alsof hij zeker wist dat hij een oorlog had gewonnen. Hartje lachte opnieuw. “Hoe weet je zeker dat hij wel echt bestaat?” vroeg ze. Portas keek haar verdwaasd aan. “Maar hij is een mens. Mensen zijn echt, engelen niet!” riep hij. Portas’ ogen waren wijd open gesperd. “Dus hij zal dood gaan. Dat wil je toch niet? Dat ze dood gaan?” Hartje knipperde liefjes met haar ogen. Portas wilde haar naar de keel grijpen, maar Hartje was hem voor. Gniffelend verdween het meisje uit Portas’ kamertje.

Iris legde haar hand op de ruit. Hij voelde koud aan. Portas keek plotseling haar richting uit. Iris wilde dat ze dat niet had gezien: Portas leek dwars door haar heen te kijken, alsof hij haar niet opmerkte. Hij zag haar niet. Hij keek wel, maar hij zag niets. Toch leek hij iets te zoeken. Iets wat niet echt was, want hij leek, buiten zichzelf, niets wat er wel echt was op te merken.
Iris probeerde zich te herinneren hoe lang Portas het al over Hartje had. Ze wist het niet meer. Wat ze zich wel kon herinneren, was hoe vreselijk het soms mis kon gaan tussen de twee. Soms hoorde ze Portas urenlang smeken, andere keren schreeuwde hij en soms was het helemaal stil. Alsof Hartje haar zoon voor even had verlaten. En dat was dan ook zo. Dat waren de enige overgebleven momenten waarop Portas haar liet merken dat hij haar nodig had.
Toen Portas plots weer begon te schreeuwen, schrok Iris. Ze haalde haar hand van de koude ruit en draaide zich om.

“Jij bent niet echt!” schreeuwde Portas haar na. “Mensen zijn echt! Dan gaan ze allemaal maar dood! Mensen bestaan!” Achter zich hoorde hij gegniffel. Portas draaide zich om. Hartje zat op zijn bed. “Is dat zo?” vroeg ze kalm. Portas knikte. “Oh.” zuchtte het engelenmeisje zachtjes. “Dus jij kan ook dood?” Portas slikte. Hartje schreed nu met elegante passen rondom hem.
“Jij kunt mij niet vermoorden.” fluisterde Portas. “Sorry, ik geloof niet dat ik hoorde wat je daar zei, Portas. Je moet wat harder praten. Herhaal eens.” Hartje grijnsde. “Jij, jij kunt me niet vermoorden.” sprak Portas hardop. “Hmm, interessante gedachte.” zei Hartje. Ze bleef achter Portas staan. De jongen voelde haar ijskoude handen rond zijn hals. Hij slikte. “Wat weet je zeker, Portas?” siste het meisje. “Ben ik echt? Ben jij echt? Is die zogenaamde man op maandag echt? Wie zijn echt, Portas? Mensen of engelen?” Portas staarde naar de grijze muur tegenover hem.
“Hartje?” piepte hij. Het meisje hield haar hoofd schuin. “Hartje, laat eens los.” Hartje liet Portas los. De jongen draaide zich om. “Hartje, voortaan zal ik je beschermengel zijn.” zei Portas. Hij lachte. Hartje lachte. Ze tikte hem tegen zijn neus. “Jij bent zo gek! Weet je dat?”


Reacties:


Bodine
Bodine zei op 22 juni 2011 - 14:09:
Woaaah, ik begon met lezen en ik dacht: ik snap het niet, beter legt ze het uit. En dat deed je.
Me likes. (:


Vespertine
Vespertine zei op 15 juni 2011 - 13:38:
“Hoe weet ik zeker dat... Hoe weet... Hoe zeker...” mompelde Portas. Hij ijsbeerde van zijn bed naar de wastafel en terug.
“De man op maandag vertelt me dat jij niet echt bent!” riep Portas. Het klonk alsof hij zeker wist dat hij een oorlog had gewonnen. Hartje lachte opnieuw. “Hoe weet je zeker dat hij wel echt bestaat?”
Dit raakte me echt. En ook het feit dat het einde het begin is en andersom. Echt - wauw. <3