Welkom op FanFic.nl

De Nederlandse website waar je fanfiction kunt lezen én schrijven.

Nu on-line: (0)

Home » Tokio Hotel » Third World War » Thirteen

Third World War

8 sep 2015 - 22:56

1871

2

399



Thirteen

Ik had gedacht dat het aanzien van mijn voormalige thuisstad me meer zou doen voelen dan de koude vastberadenheid die al dagen geleden in mijn botten gezonken is.
Maar de hoge gebouwen, de klokkentoren die eenzaam boven alles uitsteekt, het gladde, donkergrijze steen waaruit alles opgetrokken lijkt te zijn… Het is niet langer de stad van mijn jeugd, met de fabelachtige zandstenen huisjes en de gezellige wijkjes; toch niet waar wij staan. Waar we vandaan komen, is de tijd blijven steken in 2014. Hier is alles met gigantische sprongen de toekomst in gedoken.
Na de eerste stap deze vernieuwde stad in weten we allemaal dat we niet meer terug kunnen. Alle overbodige bagage laten we achter: Michael, Emma, Yasmine, Bella. Dat hebben we begraven, samen met ons afval op onze laatste kampeerplaats. Ook de tenten lieten we daar, want ik had gedacht dat we hier wel een onderkomen zouden vinden.
Ik denk dat ik me vergist heb en dat gevoel bevalt me niet. Het bevalt me helemaal niet.
Maar ik had er niet op gerekend dat alles zo drastisch veranderd zou zijn hier, tot het punt dat ik bijna niets meer herken.
De technologie zoemt om ons heen. De kabels die tussen de huizen gespannen zijn en boven ons doorlopen, krakelen van de elektriciteit. Alle huizen lijken beveiligd te zijn met vingerprintscanners en zelfs die zonder, de huizen die minder parmantig zijn en appartementsgebouwen, hebben zulke dikke sloten dat we er nooit binnen geraken.
Ik kijk naar Nicole. Zij is gewoonlijk degene die zich overal naar binnen krijgt, alle sloten weet open te breken, maar aan de blik op haar gezicht kan ik genoeg afleiden: hier zal ze de sloten niet om kunnen praten met snelle vingers en scherpe, metalen pinnetjes.
Met elke stap dieper de stad in besef ik dat mijn oude, vertrouwde Wenhaven er niet alleen uitziet alsof het uit een science fictionfilm komt; zo vóelt het ook. Weg is de gemoedelijke sfeer, de mentaliteit dat de kansen overal voor het oprapen liggen, dat er om de hoek van de straat een avontuur op me ligt te wachten. Dit is niet thuiskomen, en dit is niet mijn Wenhaven.
Dit is een citadel, een fort, aangekleed als een stad.
Met mijn ogen toe roep ik de beelden van vroeger weer op. De straten vallen perfect samen, mijn plattegrond en innerlijke gps-systeem werken nog, maar ik heb geen idee waar we heengaan. Ik ken hier niets meer, weet niet zeker of ik mijn oude vrienden nog op dezelfde plekken kan vinden.
We houden ons sowieso al tot de schaduwen en de zijstraatjes, ver weg van de muisstille veiligheidscamera’s en de staatspolitie, en nu hebben we ook geen bestemming meer.
Het gebeurt niet eens bewust, maar we eindigen daar waar de stad uitloopt op de zee. Er liggen nauwelijks nog boten aangemeerd; ik zie twee schepen dobberen op het grijze water en een paar enkelingen die over de pier spullen lopen te verslepen. Vroeger was hier altijd wat te doen. Dansers op de pier, gigantische schepen die aangevaren kwamen. Zelfs de zee had toen meer leven in zich gehad, sloeg zo hard tegen de kaai dat mensen angstig achteruit doken. De golven hadden duizenden volksverhalen geïnspireerd.
Bij de koude vastberadenheid sluipt een even koude woede; wat hebben ze in godsnaam met mijn stad gedaan?
“Waar gaan we heen, Cap?” vraagt Tessa. Ik kijk op en zie dat ze allemaal op de grond zitten, met hun rug tegen het lage muurtje en dichtbij de lange, lage treden die terug naar het straatniveau leiden. Ik herinner me levendig de laatste keer dat ik hier gezeten heb, toen ik aan mijn beste vriend vertelde dat ik moest verdwijnen.
Het voelt als een hele eeuw geleden.
“Ik wou dat ik dat kon zeggen.” Ik krab in mijn haren en kijk rond, mijn ogen bijna toegeknepen om in de verte te kunnen turen. In de binnenstad verblijven, is uitgesloten. Zelfs als we daar een pand kunnen kraken, kunnen we nooit verstopt blijven.
Zover ik kan zien, ligt alles hier plat, is alles hier doods.
“Maar we blijven rondwandelen tot we iets vinden. Oké?”
Ik krijg een achtstemmige “oké” terug, maar veel pit zit er niet achter.

Bill komt naast me lopen wanneer we weer uitkomen waar we onze tocht begonnen. Hij kijkt me niet beschuldigend aan, hij glimlacht alleen. De donkere kringen onder zijn ogen zijn al veel minder en met Nadezh kunnen praten – wat ze echt bijna non-stop doen – heeft weer iets van leven in zijn ogen gebracht. Die fonkelen namelijk, ondanks de situatie.
Want de situatie is als volgt: we zijn allemaal moe en het begint donker te worden.
Ik wrijf over mijn voorhoofd en kijk nog eens rond, alsof ik nu iets zal zien dat ik eerder vandaag niet zag. De huizen zijn nog steeds erg beveiligd, en nu zijn er ook nog eens mensen thuis. In de woonkamers achter de ramen brandt licht en waar we lopen, vangen we nog net gesprekken op van binnen.
Kayley komt tevoorschijn aan mijn andere kant en trekt aan mijn mouw. “Bij dat gebouw ligt een stapel post van wel twee weken.”
Ik volg haar vinger en kijk naar het huis waarnaar ze wijst. Er ligt inderdaad een noemenswaardige stapel opgerolde kranten op de treden die naar de grote, dubbele voordeuren leiden. De rolluiken voor de ramen zijn allemaal toe en er is net zo’n vingerprintscanner vastgemaakt in het hout waar vroeger een slot gezeten zou hebben.
“Daar geraken we niet binnen, of de eigenaars nu zoek zijn of niet.”
Maar wanneer ik haar aankijk, grijnst ze alleen maar. “Kijk eens naar de tweede verdieping.”
Er is een balkon aan de voorkant van het huis, ter hoogte van de tweede verdieping, en ook daar is een dubbele deur te vinden. Maar voor zover ik kan zien, geen hoogtechnische sloten. Mijn lippen kopiëren Kay’s grijns.
Ik wil me niet druk maken over hoe we op dat balkon moeten geraken, want dit zou wel eens onze enige kans kunnen zijn. Van hieruit kan ik voorzichtig mijn contacten afgaan, kijken wat we in de stad kunnen aanvangen…
We zijn hier met een reden. En dit is een goed begin.
Zelfs in het bijna-donker moeten we uitkijken. Hier en daar klinkt een auto in de verte of komt een tram voorbij geschommeld, maar in deze straat lijkt geen enkel verkeer zich te wagen. Vroeger woonden hier een stel industriëlen en een bankeigenaar; achter de rij huizen waarnaar we staan te kijken, ligt er een oude fabriek verloederd bij. Het is de eerste imperfectie die ik al heel de dag ben tegengekomen.
We steken tezamen de straat over en blijven ver weg van het licht dat uit de omringende huizen gevallen komt, dat deels de voortuin verlicht. Aan de rechterkant van de tuin blijven we echter ongezien; met onze donkere kleren en geluidloze voetstappen blijven we onontdekt.
We praten zelfs niet, communiceren met gebaren en hoofdknikjes.
Mijn vingers glijden over de donkere bakstenen, maar vinden nergens een stevige grip. Via de muur naar boven klimmen, zal het dus niet worden. Met mijn hoofd in mijn nek kijk ik omhoog. Het balkon is te hoog om iemand omhoog te duwen.
Tenzij...

Ik slik mijn pijnlijke gekreun in als Kol de bevende piramide op begint te klimmen. Waarom bood ik aan helemaal onderaan te staan? Naast me bijt Kayley op haar kaak om haar armen niet te laten knikken en aan haar andere kant heeft Bodine haar ogen toegeknepen.
Tessa’s hand duwt venijnig tussen mijn schouderbladen. Bill en Daan staan om ons heen om bij te stutten waar het meest hulp nodig is.
Nadezh kermt als Nicole’s gewicht bij dat van Suki komt—zij is de bovenste schakel, en maakt nog het minst geluid als hun jongste reisgenoot op haar rug klimt.
We zakken in als een kaarten huisje wanneer Kol zich afzet; ik kan nog net mijn armen voor mijn hoofd kruisen voor we te pletter slaan. Wonder boven wonder is het kabaal niet genoeg om de mensen in de huizen op te schrikken.
Er port een elleboog in mijn maag en een knie tegen een van mijn borsten. Een stille lach bubbelt van mijn borstkas naar mijn lippen, en ik hoor ook Nadezh en Bill gniffelen ergens aan mijn rechterkant.
Ik weet niet meer wat boven of onder is, maar wanneer ik me ontwar van vijf andere lichamen zie ik dat Kol van het balkon bungelt. Ze heeft haar armen stevig om de spijlen geslagen.
Het wordt muisstil terwijl we naar haar kijken. Met ingehouden adem volg ik haar lichaam als het heen en weer begint te zwaaien en ik verbijt een kreet van geluk wanneer haar voet zich tussen de spijl en het beton wurmt. Van daar trekt ze zich haast moeiteloos op en over de balustrade.
Nadezh wikkelt spontaan haar armen om mij en Bill heen.
De langste vijf minuten van de dag volgen terwijl ze met het slot mort en, om geen reden behalve dan dat ze bijna net zo’n grote sadist als Daan is, zonder iets te zeggen het huis betreed. We weten pas dat het gelukt is als ze de voordeur van binnenuit opent.
“Mi casa es su casa,” zegt ze met een theatrale zwaai.
Wel drie mensen slaan haar tegen haar achterhoofd in het passeren.

Het is niet thuis, maar het is meer dan we om hadden kunnen hopen. De eigenaar blijkt alleen te wonen, want twee van de drie slaapkamers staan leeg. Ik heb me echter in zijn bed gelegd en het ligt fan-tas-tisch.
Zijn smaak qua inrichting is ook helemaal niet mis. In plaats van deuren zijn er van die Aziatische schuifdingen en er staan overal bonsaiplantjes.
Volgens mij is het wel geen echte Aziaat—daar is de inrichting net iets te stereotiep voor. En het is ook helemaal niet feng shui.
Maar we klagen niet. Daan is naast mij in bed al in slaap gevallen. Ik sta het met liefde en een beetje tegenzin af aan haar en Bill voor de nacht, maar dat wil niet zeggen dat ik nu niet nog even ga proberen een engel in de satijnzachte lakens te wroeten.
Kayley zit aan zijn bureau en heeft zijn computer al gehackt, terwijl Nadezhda naast haar met ons draagbare radiootje zit te prutsen. Kol en Tessa zie ik niet, maar hoor ik wel; die zitten op zolder te kijken wat ze kunnen vinden. Bo en Suki slepen de bank van de woonkamer de trap op, om de zoveel tijd horen we gebonk en gevloek, maar verder lijken ze het prima te vinden. Bill haalt al dat we nodig hebben al uit de rugzakken.
Vannacht gaan we nog niet al te veel doen. Slapen, vooral. Kayley heeft al aangeboden de eerste shift te houden, zij gaat sowieso nog een hele tijd wakker zijn nu ze een échte computer ter haar beschikking heeft, dus verheug ik me op een goede nachtrust.
“Ik geef op!” hoor ik Suki roepen vanuit de gang. Ik glijd in één soepele beweging van het bed en ga kijken, om de twee meisjes uitgeput op de bank te zien zitten. “Komaan, ik help jullie even.”

Ik hoop dat de eigenaar van het huis het niet heel erg vindt dat we heel zijn boel aan het verbouwen zijn. Al denk ik dat, te oordelen aan zijn inrichting en het feit dat hij al minstens twee weken van huis weg is, vast ergens omgekomen is. Een verrassingsaanval van één of andere bende is mijn gok.
We zullen zijn plantjes met plezier voor hem water geven.


Reacties:


CosmicPurple
CosmicPurple zei op 10 mei 2022 - 8:16:
omg luv it snel verder xx


xNadezhda zei op 4 sep 2015 - 22:01:
Die laatste zin deed het 'm helemaal. Ik vond je beschrijving van de stad al zo prachtig en toen dat huis en. jaaaaaa. Ik heb volgens mij al eerder gezegd dat ik je sfeerbeschrijvingen zo mooi vind en hier doe je het weer. Ondanks dat er in dit hoofdstuk plot-wise niet veel lijkt te gebeuren, past het wel precies in het verhaal. Het leest zo fijn. I am so in love. <3